Wetenschap

De testosterongrens in nmol per liter: van 10 via 5 naar 2,5 en uiteindelijk naar de uitgang

Sportbonden verlaagden hun testosterongrens in tien jaar van 10 naar 2,5 nmol/l. Dit artikel legt uit wat die getallen betekenen, waar ze vandaan komen en waarom steeds meer bonden ze loslaten.

Redactie Gendersport.nl
·
Gepubliceerd 15 oktober 2024
Illustratie bij: De testosterongrens in nmol per liter: van 10 via 5 naar 2,5 en uiteindelijk naar de uitgang

Geen getal heeft het sportdebat zo lang beheerst als de testosterongrens in nmol per liter. Eerst was het 10, toen 5, daarna 2,5, en inmiddels hebben verschillende grote bonden het getal helemaal uit hun reglementen gehaald. Achter die daling schuilt geen wetenschappelijke doorbraak maar een groeiend besef dat een bloedwaarde het verkeerde meet. Dit artikel legt uit wat nmol per liter betekent, waar elke drempel vandaan kwam en waarom de grens uiteindelijk werd losgelaten.

Wat een nmol per liter eigenlijk is

Nanomol per liter, afgekort nmol/l, is de eenheid waarin de concentratie van een hormoon in het bloedserum wordt uitgedrukt. Bij testosteron gaat het in sportreglementen vrijwel altijd om totaal testosteron: de som van het vrije hormoon en het deel dat aan eiwitten in het bloed is gebonden. Dat onderscheid is niet triviaal, want alleen het vrije deel is biologisch actief, en de verhouding tussen beide verschilt per persoon en verandert onder invloed van medicatie.

De getallen zelf maken duidelijk waarom er uberhaupt een grens nodig is. In de overzichtsstudie van Handelsman, Hirschberg en Bermon, in 2018 verschenen in Endocrine Reviews, ligt het bereik bij volwassen vrouwen ruwweg tussen 0,1 en 1,7 nmol/l en bij volwassen mannen tussen ongeveer 7,7 en 29,4 nmol/l. Die twee bereiken overlappen niet: er zit een leeg gebied van een factor vier tot vijf tussen. Juist dat gat maakt testosteron aantrekkelijk als criterium, en juist dat gat maakte de keuze voor 10 nmol/l zo omstreden.

10 nmol/l: de grens die in het mannelijke bereik lag

Het Internationaal Olympisch Comite koos in zijn consensusdocument van 2015 voor 10 nmol/l, gedurende ten minste twaalf maanden. De atletiekbond IAAF hanteerde datzelfde getal al sinds 2011 in de regeling voor vrouwen met hyperandrogenie. Het probleem is met een blik op de referentiewaarden te zien: 10 nmol/l ligt boven de ondergrens van het mannelijke bereik. Een sporter kon dus aan de eis voldoen met een waarde die bij een volwassen man volstrekt normaal is, en tegelijk vijf tot tien keer hoger dan bij vrijwel elke concurrente.

Waarom die grens toch zo hoog werd gelegd, is nooit bevredigend uitgelegd. De meest genoemde verklaring is praktisch: bij een lagere drempel zouden sporters die hun hormoonbehandeling correct volgen alsnog kunnen uitschieten, met sancties tot gevolg. Dat argument gaat over uitvoerbaarheid, niet over eerlijkheid. Voor wie de achtergrond van de termijn wil lezen die aan diezelfde regeling hing, staat dat beschreven in ons artikel over de duur van hormoontherapie in de sport.

De hyperandrogenieregels en de zaak-Chand

De eerste juridische klap kwam niet van transgender sporters maar van een atlete met een verschil in geslachtsontwikkeling. De Indiase sprintster Dutee Chand vocht de hyperandrogenieregels van de IAAF aan bij het Hof van Arbitrage voor Sport. In 2015 schorste het CAS de regeling: de bond had onvoldoende bewijs geleverd dat een verhoogd testosterongehalte bij vrouwen een prestatievoordeel oplevert dat groot genoeg is om uitsluiting te rechtvaardigen. De atletiekbond kreeg twee jaar om met betere gegevens te komen.

Die opdracht leidde tot het onderzoek van Bermon en Garnier, in 2017 gepubliceerd in het British Journal of Sports Medicine. Zij analyseerden ruim tweeduizend hormoonmetingen bij deelnemers aan wereldkampioenschappen atletiek. Vrouwen in de hoogste testosterongroep presteerden op verschillende onderdelen meetbaar beter dan die in de laagste, met verschillen die per onderdeel opliepen tot enkele procenten, het duidelijkst bij de 400 meter, de 400 meter horden, de 800 meter, het hamerslingeren en het polsstokhoogspringen. Een paar procent is in de topsport het verschil tussen een finaleplaats en de tribune.

Van 10 naar 5: de DSD-regels en de zaak-Semenya

Met dat onderzoek in de hand kwam de IAAF in 2018 met een nieuwe regeling voor atletes met een verschil in geslachtsontwikkeling. De grens ging naar 5 nmol/l en gold voor een afgebakende reeks loopnummers van de 400 meter tot en met de Engelse mijl, precies de afstanden waarop het onderzoek het sterkste verband had gevonden. De Zuid-Afrikaanse olympisch kampioene Caster Semenya bestreed de regels; het CAS wees haar beroep in 2019 af en noemde de regeling discriminerend maar noodzakelijk en proportioneel om de vrouwencategorie te beschermen.

De zaak liep daarna nog jarenlang door bij het Zwitserse Bundesgericht en het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, dat oordeelde over de procedurele waarborgen en niet over de vraag of een testosterongrens inhoudelijk toelaatbaar is. Dat onderscheid wordt in de berichtgeving vaak door elkaar gehaald. De volledige gang van zaken beschrijven we in het dossier over Caster Semenya en de DSD-regels.

Van 5 naar 2,5: de laatste verlaging

In maart 2023 scherpte World Athletics de regels opnieuw aan. De grens ging van 5 naar 2,5 nmol/l, de vereiste periode van zes naar 24 maanden, en de beperking tot een handvol loopnummers verdween: de regeling geldt sindsdien voor alle atletiekonderdelen. In hetzelfde besluit sloot de bond transvrouwen die een mannelijke puberteit hebben doorgemaakt uit van internationale wedstrijden in de vrouwencategorie. De achtergrond daarvan staat in ons overzicht van de regels van World Athletics.

De waarde 2,5 nmol/l werd daarmee de nieuwe standaard. De UCI verlaagde in 2022 zijn drempel van 5 naar 2,5 en verdubbelde de periode naar 24 maanden; World Aquatics nam 2,5 nmol/l op in zijn beleid van juni 2022 en World Triathlon volgde in 2023. Anders dan 10 of 5 heeft 2,5 wel een zekere logica: de waarde ligt net boven de bovenkant van het natuurlijke vrouwelijke bereik, zodat een normale vrouwelijke uitschieter niet meteen tot uitsluiting leidt.

Wat testosteron wel en niet verklaart

De kern van het probleem is dat de sport twee verschillende dingen door elkaar haalt. Testosteron heeft ontwikkelingseffecten en directe effecten. De ontwikkelingseffecten ontstaan tijdens de puberteit en zijn blijvend: lichaamslengte, botlengte en botdichtheid, schouderbreedte, hartgrootte, longvolume en het aantal spiervezels. De directe effecten, zoals spieropbouw en herstel na inspanning, hangen af van de actuele concentratie en verdwijnen goeddeels als die concentratie daalt.

Een grenswaarde meet alleen dat tweede deel. Hij vertelt hoeveel hormoon er vandaag circuleert, niet welk lichaam er in de jaren daarvoor is opgebouwd. Hilton en Lundberg lieten in hun review in Sports Medicine (2021) zien dat de kracht- en spierverschillen na een jaar suppressie grotendeels blijven bestaan, ook bij waarden die ruim onder elke gehanteerde grens liggen. Meer over dat mechanisme staat in het artikel over testosteron en sportprestatie en in de rubriek wetenschap.

Daar komt bij dat het hormoon alleen werkt als het lichaam er gevoelig voor is. Bij volledige androgeenongevoeligheid heeft een hoog testosterongehalte nauwelijks effect, terwijl bij andere aandoeningen, zoals een tekort aan het enzym 5-alfa-reductase, de gevoeligheid intact is. Een enkel getal in een reglement maakt dat onderscheid niet. Dat is precies waarom bonden die met grenswaarden werken, in de praktijk altijd aanvullend medisch onderzoek nodig hebben.

Meten is een probleem op zich

Ook de meting zelf is minder hard dan het getal suggereert. Testosteron schommelt over de dag, met de hoogste waarden in de ochtend, en reageert op ziekte, training en medicatie. Betrouwbare bepalingen bij lage concentraties vragen om massaspectrometrie; de goedkopere immunoassays zijn in dat bereik onnauwkeurig. Wie een grens van 2,5 nmol/l wil handhaven, moet dus met gestandaardiseerde methodes, herhaalde metingen en een controlestructuur werken.

Op internationaal topniveau kan dat, omdat daar al een dopingcontrolesysteem ligt. In de breedtesport, waar verreweg de meeste wedstrijden plaatsvinden, bestaat zo'n systeem niet. Daar wordt een grenswaarde in de praktijk een zelfverklaring. Dat verschil tussen papier en praktijk speelt ook in landen waar het juridische geslacht via zelfidentificatie kan worden gewijzigd, een ontwikkeling die wordt gevolgd op zelfidentificatie.nl. Een registratie in de burgerlijke stand zegt niets over een hormoonwaarde, en andersom.

Waarom het getal uit de reglementen verdwijnt

De laatste stap in deze geschiedenis is niet opnieuw een verlaging, maar een ander soort criterium. World Rugby liet de grenswaarde in 2020 al los, World Aquatics maakte in 2022 de doorslaggevende vraag of iemand een mannelijke puberteit heeft doorgemaakt, en World Athletics, British Cycling en de UCI volgden in 2023. In 2025 gingen World Athletics en World Boxing nog een stap verder met een eenmalige genetische test als toegangsvoorwaarde voor de vrouwencategorie, in plaats van een terugkerende hormoonmeting.

De redenering achter die verschuiving is consistent met alles wat het onderzoek van de afgelopen tien jaar liet zien. Een hormoonwaarde is een momentopname; de eigenschappen die het prestatieverschil verklaren zijn dat niet. Zolang bonden bleven zoeken naar het juiste getal, verplaatsten zij de discussie steeds een stapje verder zonder haar op te lossen. Dat verklaart waarom de reeks 10, 5 en 2,5 nmol/l niet eindigde bij een nog lagere waarde, maar bij een heel andere vraag: niet hoeveel testosteron er nu circuleert, maar welk lichaam er aan de start staat.

Bronnen

  1. Handelsman DJ, Hirschberg AL, Bermon S (2018). Circulating Testosterone as the Hormonal Basis of Sex Differences in Athletic Performance. Endocrine Reviews.
  2. Bermon S, Garnier PY (2017). Serum androgen levels and their relation to performance in track and field. British Journal of Sports Medicine.
  3. Internationaal Olympisch Comite (2015). Consensus Meeting on Sex Reassignment and Hyperandrogenism.
  4. World Athletics. Eligibility Regulations for the Female Classification, met de aanscherping van maart 2023.
  5. Court of Arbitration for Sport (2015). Interim award Dutee Chand v. AFI and IAAF; CAS (2019). Semenya v. IAAF.
  6. Hilton EN, Lundberg TR (2021). Transgender Women in the Female Category of Sport. Sports Medicine 51:199-214.

Redactie Gendersport.nl

Onafhankelijke redactie die sportwetenschap, systematische reviews en officiële reglementen toegankelijk samenvat. Informatief, geen juridisch of sportmedisch advies. Laatst bijgewerkt op 15 oktober 2024.

Meer over ons →

Veelgestelde vragen

Korte antwoorden op de vragen die het vaakst terugkomen.

Meer over Wetenschap