Wetenschap
Springkracht en explosiviteit: waar het verschil tussen de geslachten het grootst is
Bij springen en werpen is de kloof tussen mannen en vrouwen veel groter dan de bekende tien procent op de sprint. Wat onderzoek laat zien over explosieve kracht en hormoontherapie.

Bij springkracht en explosiviteit is het verschil tussen de geslachten groter dan bij bijna elke andere sportieve eigenschap. Waar de kloof op de sprint rond de tien procent ligt, loopt die bij verticaal springen en zeker bij werpen op tot een derde of meer. Juist die explosieve eigenschappen bepalen in teamsporten wie boven het net uitkomt, wie de rebound pakt en wie de bal hard genoeg weggooit. Dit artikel zet op een rij wat het onderzoek over dat verschil per geslacht laat zien, en waarom deze cijfers in het sportdebat zwaarder wegen dan de bekende tien procent.
Wat explosiviteit precies is
Explosiviteit is niet hetzelfde als kracht. Maximale kracht is hoeveel je in totaal kunt verplaatsen; explosiviteit is hoe snel je die kracht kunt opbouwen. In de bewegingswetenschap heet dat de rate of force development: de hoeveelheid kracht die een spier in de eerste honderd tot tweehonderd milliseconden van een beweging kan leveren. Bij een sprong, een worp, een sprintstart of een tackle is precies dat de bepalende factor, want langer duurt de beweging niet.
Drie dingen bepalen die eigenschap: de doorsnede van de spiervezels, het aandeel snelle type-II-vezels, en de stijfheid van pezen en bindweefsel waarmee elastische energie kan worden opgeslagen en teruggegeven. Daar komt de hefboom bij: bij gelijke spierkracht levert een langer scheenbeen of een langere arm meer snelheid aan het uiteinde. Al deze eigenschappen worden tijdens de mannelijke puberteit sterk beinvloed door testosteron, en ze zijn stuk voor stuk moeilijk terug te draaien.
Hoe groot is het verschil bij springen
In gestandaardiseerde sprongtests, zoals de countermovement jump op een krachtplaat, springen mannen gemiddeld ruwweg een derde hoger dan vrouwen. Dat is aanzienlijk meer dan de tien tot twaalf procent die je terugziet op loopafstanden. De reden is dat springhoogte niet lineair met kracht schaalt: de sprong is het product van kracht en snelheid, en beide componenten liggen bij mannen hoger.
Bij de topsport zie je hetzelfde patroon, zij het gedempt door de meetmethode. Het wereldrecord hoogspringen staat bij de mannen op 2,45 meter en bij de vrouwen op 2,09 meter, een verschil van zeventien procent in lathoogte. Maar lathoogte is misleidend: een springer moet eerst zijn eigen zwaartepunt op ongeveer heuphoogte omhoog krijgen voordat er ook maar iets van de sprong wordt gemeten. Reken je alleen met de daadwerkelijke verplaatsing van het zwaartepunt, dan is het verschil aanzienlijk groter dan die zeventien procent. Bij het verspringen, waar de horizontale aanloopsnelheid meetelt, staan de records op 8,95 tegenover 7,52 meter, ongeveer negentien procent.
Handelsman, Hirschberg en Bermon vatten dit patroon in 2018 samen in Endocrine Reviews: de prestatiekloof bedraagt ongeveer tien tot dertien procent bij lopen en zwemmen, maar loopt op naar ruwweg vijftien tot twintig procent bij springonderdelen en tot dertig procent en meer bij onderdelen waarin een voorwerp moet worden weggeslingerd. Hun conclusie was dat circulerend testosteron de belangrijkste hormonale verklaring vormt voor die verschillen, en dat de kloof het grootst is waar explosieve kracht doorslaggevend is.
Werpen: de grootste kloof van allemaal
Bij werpen loopt het verschil het verst uiteen. Dat is in de atletiek lastig direct af te lezen, omdat de reglementen vrouwen met lichtere werpmaterialen laten werken: een kogel van vier kilo tegenover zeven kilo bij de mannen, een discus van een kilo tegenover twee, een speer van 600 gram tegenover 800. Zelfs met dat lichtere materiaal blijven de afstanden bij de mannen groter. Wordt met identiek materiaal gewerkt, dan groeit het gat verder.
Het verschil in worpsnelheid en werpafstand behoort tot de grootste geslachtsverschillen die in de bewegingswetenschap zijn gemeten, groter dan bij vrijwel elke andere motorische vaardigheid. Een klassieke meta-analyse van Thomas en French uit 1985 in Psychological Bulletin liet zien dat het verschil bij werpen al voor de puberteit zichtbaar is en daarna sterk toeneemt, terwijl bij veel andere motorische taken het verschil klein blijft of pas na de puberteit ontstaat. Bij sporten met een harde worp of slag, zoals honkbal, handbal en cricket, is dat direct van belang voor zowel prestatie als veiligheid.
De fysiologie achter het verschil
De mannelijke puberteit verandert het lichaam op punten die precies samenvallen met wat explosiviteit bepaalt. De spiervezeldoorsnede neemt sterk toe, vooral in het bovenlichaam; het skelet wordt langer en zwaarder, met bredere schouders en langere ledematen; het aandeel vetvrije massa stijgt en het vetpercentage daalt. Over de hele populatie hebben mannen ruwweg dertig procent meer kracht in het onderlichaam en veertig tot zestig procent meer in het bovenlichaam, waarbij het verschil in het bovenlichaam consequent het grootst is.
Die eigenschappen zijn niet losse variabelen maar een samenhangend geheel. Een sprong is het resultaat van kracht in de beenspieren, van de stijfheid van de achillespees, van de verhouding tussen lichaamsgewicht en spiermassa, en van de lengte van de hefbomen. Wie de achtergrond van die opbouw wil begrijpen, vindt in ons artikel over botstructuur en lichaamsbouw als erfenis van de puberteit een uitgebreidere behandeling van het skelet, en in het stuk over de rol van testosteron in sportprestaties de hormonale kant.
Wat er gebeurt na testosteronsuppressie
De centrale vraag in het sportdebat is of die explosieve eigenschappen verdwijnen wanneer het testosteron wordt onderdrukt. Het onderzoek dat daar bestaat, wijst consequent op een beperkt effect. Wiik en collega's volgden in 2020 transgender personen twaalf maanden lang tijdens genderbevestigende hormoonbehandeling en maten spiervolume met MRI en kracht met dynamometrie. Het spiervolume in het bovenbeen daalde met enkele procenten; de kniestrekkracht bleef vrijwel gelijk. Kracht en spiermassa bleken dus niet in hetzelfde tempo te verdwijnen.
Hilton en Lundberg kwamen in 2021 in Sports Medicine tot dezelfde conclusie na een systematisch overzicht van de beschikbare literatuur. Na twaalf maanden testosteronsuppressie daalt de spiermassa met ongeveer vijf procent, terwijl de kracht in veel metingen nauwelijks afneemt. Het grootste deel van het opgebouwde verschil blijft dus staan. De details van dat spiermassaonderzoek staan in ons artikel over spiermassa en spierkracht na hormoontherapie.
Voor explosiviteit is er een extra complicatie: er is nauwelijks specifiek onderzoek naar. De meeste studies meten isometrische kracht, handgreepkracht of spiervolume, niet sprongkracht of worpsnelheid. Skeletlengte, hefboomverhoudingen en peesstijfheid veranderen door hormoontherapie sowieso niet of nauwelijks. Aannemen dat de explosieve eigenschappen sneller verdwijnen dan de maximale kracht, is daarom een aanname zonder empirische onderbouwing.
Waarom teamsporten hier het gevoeligst voor zijn
In individuele tijdsporten zoals hardlopen of zwemmen is het effect van een prestatieverschil zichtbaar op de klok. In teamsporten werkt het anders en vaak sterker. Bij volleybal bepaalt bereikhoogte bij het blok of een aanval uberhaupt te verdedigen valt. Bij basketbal beslist sprongkracht over rebounds en blocks. Bij handbal en waterpolo bepaalt worpsnelheid of een keepster kan reageren. Dat zijn geen graduele voordelen die je in procenten op een uitslagenlijst terugvindt, maar drempels: boven een bepaalde waarde is een actie simpelweg niet meer te verdedigen.
Dat maakt de discussie in teamsporten anders van aard. Het gaat er niet alleen om wie wint, maar om of het spel nog het spel is waar de spelregels voor geschreven zijn. Sportbonden die hun beleid herzagen, hebben dit argument vaak expliciet meegewogen; een overzicht daarvan staat in het dossier wetenschap en sportprestatie op deze site.
Wat dit betekent voor de vrouwencategorie
Gemiddelden zeggen in de topsport maar beperkt iets. Wat telt, is de bovenkant van de verdeling. Als twee verdelingen elkaar grotendeels overlappen maar de mannelijke gemiddeld een derde hoger ligt, dan is de overlap in de uiterste staart minimaal. Bij eigenschappen met een groot geslachtsverschil, zoals sprongkracht en worpsnelheid, betekent dat dat een prestatie die bij de mannen middelmatig is, bij de vrouwen recordwaardig kan zijn.
Precies dat is de reden dat de vrouwencategorie bestaat. Ze is geen aparte klasse voor mindere sporters, maar een beschermde categorie die zonder grens haar functie verliest. Hoe die redenering doorwerkt in de discussie over uitslagen en selectie, is uitgewerkt in het artikel over de prestatiekloof tussen mannen en vrouwen. Ook op andere terreinen dan sport speelt dezelfde vraag over grenzen tussen de seksen; het netwerkportaal genderhub.nl verzamelt die dossiers.
Wat we nog niet weten
Eerlijkheid gebiedt te zeggen dat de wetenschappelijke basis smal is. De studies naar hormoontherapie en prestatie zijn klein, tellen zelden meer dan enkele tientallen deelnemers, en gaan bijna nooit over getrainde atleten. Er is geen enkele studie die sprongkracht of worpsnelheid bij transgender topsporters over meerdere jaren heeft gevolgd. Wat er wel is, wijst allemaal dezelfde kant op, maar dat is iets anders dan een sluitend bewijs.
Tegelijk geldt die onzekerheid in twee richtingen. Het ontbreken van onderzoek dat aantoont dat het voordeel verdwijnt, is geen argument om aan te nemen dat het verdwijnt. Bonden die de vrouwencategorie beschermen, redeneren daarom vanuit het voorzorgsbeginsel: zolang niet is aangetoond dat het verschil is verdwenen, ligt de bewijslast bij wie toelating bepleit. Hoe die redenering zich verhoudt tot de gemeten verschillen op andere onderdelen, komt aan bod in ons artikel over het prestatieverschil op de sprint.
Bronnen
- Handelsman DJ, Hirschberg AL, Bermon S (2018). Circulating Testosterone as the Hormonal Basis of Sex Differences in Athletic Performance. Endocrine Reviews 39(5).
- Hilton EN, Lundberg TR (2021). Transgender Women in the Female Category of Sport: Perspectives on Testosterone Suppression and Performance Advantage. Sports Medicine 51:199-214.
- Thibault V et al. (2010). Women and Men in Sport Performance: The Gender Gap has not Evolved since 1983. Journal of Sports Science and Medicine 9(2).
- Wiik A et al. (2020). Muscle Strength, Size and Composition Following 12 Months of Gender-affirming Treatment in Transgender Individuals. Journal of Clinical Endocrinology and Metabolism 105(3).
- Thomas JR, French KE (1985). Gender Differences Across Age in Motor Performance: A Meta-analysis. Psychological Bulletin 98(2).
- World Athletics, officiele wereldrecordlijsten (geraadpleegd 2024).
Redactie Gendersport.nl
Onafhankelijke redactie die sportwetenschap, systematische reviews en officiële reglementen toegankelijk samenvat. Informatief, geen juridisch of sportmedisch advies. Laatst bijgewerkt op 18 juni 2024.
Veelgestelde vragen
Korte antwoorden op de vragen die het vaakst terugkomen.
Meer over Wetenschap

Wetenschap
Testosteron en sportprestatie: hoe het hormoon sekseverschillen in de sport verklaart
Testosteron vormt via de mannelijke puberteit de fysieke basis van sekseverschillen in kracht, spiermassa en uithoudingsvermogen. Deze uitleg laat zien wat het hormoon doet en wat suppressie wel en niet terugdraait.

Wetenschap
Blijft het biologische voordeel van een transvrouw bestaan na transitie?
Hormoontherapie verlaagt testosteron, maar reviews en studies laten zien dat een groot deel van het fysieke voordeel na transitie behouden blijft. Een overzicht van wat de wetenschap toont.

Wetenschap
De mannelijke puberteit: het moment waarop het duurzame sportvoordeel ontstaat
Het beslissende fysieke voordeel in de sport ontstaat tijdens de mannelijke puberteit. Dat verklaart waarom sportbonden leeftijd en Tanner-stadium als criterium gebruiken.

Wetenschap
Puberteitsremmers en sportprestatie: waarom bonden de grens bij de puberteit leggen
Wie de mannelijke puberteit nooit doormaakt, bouwt het sportvoordeel grotendeels niet op. Dat is de logica achter de regel van World Aquatics, terwijl de Cass Review de bewijsbasis zwak noemt.